
Column Melissa: Elke generatie heeft ‘hun’ WK
ColumnHet is 2010 en ik sta met mijn ouders, mijn broer en mijn zusje op de camping in Petten. De zomervakantie is net begonnen, ik ben dertien jaar oud en ben brugpieper af. Mijn ouders geven mijn broer en ik de vrijheid om af en toe snoepjes te kopen in het dorp. Terwijl onze wangen samentrekken door de zure Jawbreakers zien we voor het eerst hoe snel de zon bij de zonsondergang onder de horizon verdwijnt. In de ochtend neem ik onze voetbal, een neppe Jabulani die we op de markt kochten, onder mijn armen mee naar het lege kampeerveldje achter die van ons. In het natte gras dribbel ik zo snel als ik kan heen en weer, net als Arjen Robben.
Elke generatie heeft ‘hun’ WK, hét voetbaltoernooi dat je nooit meer vergeet. Voor mij is dat het WK in Zuid-Afrika. In de laatste weken van het schooljaar besprak ik de wedstrijden van Oranje samen met de jongens uit mijn klas. Als ware voetbalanalisten hadden we het over de werklust van Kuyt, de blessure van Robben en de Power Balance armbandjes van Wesley Sneijder. Met vriendinnen keek ik de halve finale tegen Uruquay. Het afstandschot van Giovanni van Bronckhorst voelde ik in mijn hele lijf en toen er werd afgefloten, renden we juichend naar het water om de winst te vieren met een plons in het verkoelende water. Aan de andere kant van de sloot fietste een groepje oudere jongens, ze juichten mee en voor het eerst voelde ik hoe verbindend een sport kan zijn.
Het WK in Zuid-Afrika had alles in zich om een onvergetelijk toernooi te worden: bloedstollende wedstrijden, spelers van wereldklasse die nog trots waren om in het oranje te spelen en een ijzersterk team dat elkaar blindelings kon vinden. Het was echter de finale die het WK in Zuid-Afrika voor altijd in mijn herinneringen grifte.
Het was al zomervakantie en we stonden dus op de camping in Noord-Holland. In het recreatiezaaltje, normaal gevuld met tafeltennistafels en van die grote, zachte schuimdobbelstenen, stonden er rijen stoelen, net zoals in de kerk. Een groot beamerscherm was uitgerold, je kon koud bier en frisdrank bestellen bij een geïmproviseerd barretje. Met de strenge uitzendrechten en horecawetgeving had dit vast niet meer gekund, bedenk ik mij nu. In een oranje T-shirt van de Gamma (ik slaap er nog steeds in, ‘Eerst oranje, dan blauw’ staat erop) zat ik een uur voor aanvang al op de eerste rij.
Twee uur later werd mijn kleine puberhartje voor het eerst gebroken, door dit stomme teen van Casillas en die vreselijke Andrés Iniesta die mijn kinderdroom aan duigen schopte. Ik zal eerlijk zijn, ik moest ervan huilen en ben weggelopen. Dát was dan weer memorabel voor mijn familie. Toen ik de uitnodiging van mijn broer om de poulewedstrijd tegen Japan afwees, typte hij: ‘Volgens mij kon je in 2010 niet meer kijken van de spanning, wat een tranen’. Ik zal dat nooit ontkennen, maar stiekem wist ik al dat de mannen van oranje mij nooit meer zo in extase zouden brengen als toen, in 2010. De vrouwen daarentegen...


























