
Column Melissa: ‘Gelukkig weet ik stiekem wel dat rouw niet uitgedrukt wordt in jaren’
ColumnIk was twaalf jaar oud. Er was een wijkfeest in de buurt. We mochten hutten bouwen met pallets, speelden uren buiten met de buurkinderen en in de avond was er van alles te doen op het speelveld vlakbij mijn huis. Ik kon niet genoeg krijgen van de zweefmolen, waar jonge mannen de zitjes zo hard wegduwden dat je bijna over de kop ging. Maar rond een uur of negen was mijn moeder onverbiddelijk: “Naar huis, je moet op bed.” Ik kan die teleurstelling nog voelen, omdat ik wist dat de volgende dag alles al weer was ingepakt en er pas over vier jaar weer een wijkfeest kwam. “Volgende keer nieuwe kansen,” zei mijn moeder en ik fronste: “Dan ben ik zestien, dan wil ik echt niet meer.”
Ik had gelijk. Eenmaal zestien bleek de zweefmolen zo klein te zijn, dat ik er niet eens meer in mocht. De magie was vervlogen en het wijkfeest ging vrijwel ongemerkt aan mij voorbij. In die vier jaar was er veel gebeurd. Ik was geen basisschoolleerling meer, maar een scholier op de middelbare school. De boeken van Carry Slee en Piet Prins hadden plaatsgemaakt voor Harry Mulisch en Louis Couperus.
Als je jong bent gaat tijd zowel snel als langzaam. In een jaar groei je soms wel tien centimeter, je broeken passen niet meer en je lijf ziet er anders uit. Dingen waar je aan het begin van het jaar nog nooit van had gehoord - het bestaan van de letter Q, een salto of de cosinus - heb je na 365 dagen onder de knie. Er verandert zo veel, dat een periode oneindig lang lijkt, maar ook zo voorbij vliegt.
Hoe ouder je wordt, hoe sneller de tijd lijkt te gaan. Dat is op zich ook wel logisch, want een jaar wordt relatief gezien een steeds kleiner deel van je leven. Ik vind het niets, want de tijd ging al zo snel. Ik wil helemaal niet dat het sneller gaat en dat is niet omdat ik niet ouder wil worden, hoor. Ouder worden is in mijn ogen een privilege, iets waar ik ook eigenlijk best naar uitkijk. Maar tegelijkertijd is elke dag die verstrijkt een stapje verder van het leven met mijn ouders. Elke dag kan ik mij minder details herinneren. Hoe hun lach klonk bijvoorbeeld, of hoe ze de hond aanlijnden, hoe ze keken als ze een spelletje verloren of hun kleinkind uit het autozitje haalden, de manier waarop ze over een drempel reden of hoe ze de gordijnen dichttrokken. Het zijn misschien herinneringen die er niet toe lijken te doen, maar ze herinneren mij vooral aan het feit dat ze al die kleine handelingen nooit meer zullen doen.
Wat daar bovenop komt, is het feit dat alles steeds langer geleden is. In maart is het drie jaar geleden dat mijn moeder is overleden, ik was toen 25 en dit jaar word ik 29. Objectief gezien is het al best lang geleden en daardoor voelt het soms misplaatst om er nog zoveel aan te denken. Gelukkig weet ik stiekem wel dat rouw niet uitgedrukt wordt in jaren en zelfs niet in vergeten of onthouden herinneringen. Het houdt zich niet aan een vooraf bepaalde planning. Het is misschien drie jaar geleden, maar wat ik voel mag er gewoon zijn. Als ik dat gewoon zo vaak mogelijk zeg tegen mijzelf, dan ga ik er vast in geloven...


























