
Van dwangkolonie naar toeristische trekpleister
HistorieVEENHUIZEN - Veenhuizen heeft haar bestaan te danken aan Johannes van de Bosch, die in de negentiende eeuw het gebied omtoverde tot een sociaal experiment. Wat nu resteert, is een gevangenis en de ruïnes van deze dwangkolonies.
Nadat de Fransen uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden waren verdreven, heerste er veel armoede. Veel kinderen waren hun ouders kwijtgeraakt en werkeloosheid was één van de grootste problemen in het land. Johannes van den Bosch, Generaal en Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië van 1830 tot 1834, dacht daar een oplossing voor te hebben gevonden. De zogenaamde Koloniën van Weldadigheid.
Het begon in 1818 toen Johannes grote lappen onontgonnen stukken land had opgekocht om zijn experiment te beginnen in Frederiksoord. In totaal zijn er zeven stukken grond gekocht. Vijf in de Noordelijke Nederlanden, waaronder Veenhuizen en twee in de zuidelijke Nederlanden, wat nu België is. Hier ontstonden zogenaamde Koloniën, bedoeld om weeskinderen, landlopers, bedelaars en mensen die in armoede leven een kans te geven op een beter leven en om de kosten voor gemeenten die deze mensen moesten opvangen te ontnemen. Bewoners moesten werken, leren en discipline opdoen. Ze waren hier actief in de landbouw en de ontginning van het landschap, waardoor de koloniën nu nog steeds een unieke rechtlijnige omgeving hebben.
De kolonie in Veenhuizen was een dwangkolonie. De mensen die daar zaten, werden daar verplicht naar toe gestuurd en mochten het terrein niet verlaten. Daar moesten ze werken op een zelfvoorzienende kolonie, om de onvruchtbare grond klaar te maken voor landbouw met behulp van gloednieuwe experimentele technieken. Ondertussen kon men een vak leren, met de bedoeling dat ze, wanneer ze weer in de maatschappij zouden komen, zelf geld konden verdienen. Al snel kwamen de vragen of dat wel kon, of het wel rechtvaardig was om mensen gedwongen te laten werken.
De gebouwen waren grote vierkante blokken. Mannen en vrouwen waren gescheiden en bewakers en mensen die vrijwillig naar de koloniën vertrokken, leefden buiten de gebouwen. De mensen die er verplicht zaten, leefden binnen het complex. Grote groepen sliepen in een zaal en de leefomstandigheden waren niet al te best. Er was weinig eten en regelmatig kwamen er mensen te overlijden. Veel van de mensen die weer werden losgelaten in de ‘echte wereld’ kwamen overigens snel weer terug, omdat het ze toch niet lukte om een bestaan op te bouwen. Op het hoogtepunt, kende de kolonie in Veenhuizen rond de 5000 mensen.
Al snel bleek dat het allemaal te duur was. De Koloniën raakte in geldproblemen en in de jaren ‘50 van de negentiende eeuw ging het failliet. De overheid nam de Koloniën van Weldadigheid over. Al snel werd de weeskinderafdeling gesloten en kwamen er ook criminelen in de gebouwen. In de loop der jaren kwamen er steeds meer criminelen en begin twintigste eeuw werden er echte gevangenissen gebouwd. Er kwamen huizen voor de bewakers en hun gezinnen en het terrein werd meer gevormd tot een echt dorp. Voor de gewone burger was het ‘dorp’ afgesloten voor pottenkijkers, tot in de jaren ‘80, toen het voor iedereen werd opengesteld.
Het verleden van het gevangenisdorp is nog duidelijk te zien. Naast de gevangenis die nog altijd in gebruik is, zijn er statige gebouwen van mensen die vroeger een belangrijke functie hadden en zijn er wel meer dan 100 rijksmonumenten. Vorig jaar zijn de Koloniën van Weldadigheid zelfs op de UNESCO Werelderfgoedlijst geplaatst.




















